We willen wel maar we kunnen niet |
We willen wel maar we kunnen niet
De laatste jaren hoor ik veel clubs om me heen praten over “Professionalisering”. Twintig jaar geleden zeiden we al tegen elkaar: “we moeten meer trainen”. Vandaag de dag trekken we dezelfde conclusie en ik hoop het niet, maar het zou zo maar eens kunnen zijn dat we het over twintig jaar nog steeds roepen. Met andere woorden: We willen wel, maar we kunnen (blijkbaar) niet.
Als ik aan professionalisering van het waterpolo denk dan is het tekort door de bocht om alleen maar te zeggen dat we meer moeten trainen. Ook betere accommodaties, een sterkere competitie, een gestructureerde jeugdopleiding, completere trainers en coaches en betere scheidsrechters horen daar mijn inzien ook bij. Daarnaast moeten we ons ook realiseren dat je niet van volwassen spelers van midden twintig of rond de dertig kan verwachten dat ze 10x per week gaan trainen en ook nog contributie aftikken.
Er is dus uiteindelijk geld nodig, zo simpel is het. En daar zit nou net de bottleneck. Niet alleen nu maar ook 10 jaar geleden toen we nog een betere economie hadden konden we weinig sponsors vinden die wilden investeren in het waterpolo.
Topsport is een keuze en het is dan ook te verdedigen om daar niet voor te kiezen en gewoon lekker 3x per week te trainen en een wedstrijdje te spelen. Helemaal niets mis mee. Maar dan moeten we ook niet verwachten dat we de wereld gaan bestormen en dan moeten we ook niet boos zijn op de KNZB als ze 20 sporters vrij maken van beslommeringen en in een fulltime programma stoppen.
Toch denk ik dat zo’n fulltime programma op de wat langere termijn ook niet de ultieme oplossing is. Ik heb zelf aan de basis ervan gestaan en het heeft zeker succes opgeleverd, maar het heeft ook wel een aantal nadelen.
Eerste nadeel is dat je investeert in “slechts” 20 spelers. Als je alle kosten en investeringen omrekent per speler dan schrik je je dood wat een sporter “kost” per training. Ten tweede profiteert de vereniging niet genoeg van de internationals omdat ze weinig aanwezig zijn op de clubtrainingen en als ze er al zijn, zijn ze vaak moe en uitgeput en niet in staat om hun kennis door te geven aan hun teamgenoten. Tenslotte is de gang naar Zeist vaak zo eentonig en saai dat weinig sporters het vol houden. Ze stoppen dan ook vaak als ze begin twintig zijn terwijl dan hun beste jaren dan nog moeten komen!
Ondanks bovengenoemde nadelen sta ik nog steeds achter de beslissing om hier in 2005 een begin mee te maken. Wij dachten op dat moment: “als het bij de clubs niet gebeurt, dan moeten we het zelf maar doen”. Een andere methode kan natuurlijk ook zijn om al je 20 potentiele internationals in het buitenland te stallen bij professionele clubs. Een veel goedkopere oplossing waar landen als Engeland of Amerika voor kiezen bij de mannen. In de zomer maak je dan een programma van 2 maanden en je laat de bondscoach de contacten onderhouden met de sporters en hun clubcoaches. Ik sluit niet uit dat dit scenario een keer uit de kast getrokken wordt terwijl ook daar natuurlijk de nodige nadelen aanzitten.
Is er dan helemaal geen oplossing? Ja natuurlijk wel. Alhoewel ik best besef dat aan ieder scenario voor,- en nadelen zitten. Als je ervan uitgaat dat we topsport willen bedrijven en daarvoor iedere dag minimaal twee keer moeten trainen dan zou je er ook voor kunnen kiezen om in Zeist iedere ochtend te trainen en iedere avond in hun eigen omgeving. De gang naar Zeist wordt dan ook minder zwaar en door de afwisseling is het allemaal wat beter vol te houden.
KNZB en clubs spreken af dat ze hun internationals 20 euro per training geven. Dat betekent dat je 400 euro per maand van de bond krijgt en eenzelfde bedrag van je club als je alle trainingen volgt tenminste. Kom je minder trainen, dan voel je dat in je portemonnee of uiteindelijk in andere consequenties zoals speeltijd of iets dergelijks.
Verschillende clubs zijn al bezig met een accommodatiebeleid wat gebaseerd is op internationale maatstaven dus dat is een goed signaal en uiteindelijk ook een verplichting wil je met je club op het hoogste niveau blijven spelen in de toekomst.
Ik heb laatst cursus gegeven bij de waterpolo opleiding niveau 4 en daar zaten behoorlijk wat talentvolle trainers in de schoolbanken dus ook op dat gebied zie ik een veelbelovende ontwikkeling.
Helaas vind ik dat het niveau van de scheidsrechters te wensen overlaat. Ondanks goed bedoelde arbitrage-congressen e.d. is het nog steeds zo dat de beste scheidsrechters van Nederland de wat oudere mannen zijn, generatie Klopper/Bras/Reemnet zeg maar. Eigenlijk hadden die gasten al lang ingehaald moeten zijn door jongere arbiters maar ik zie helaas maar een paar lichtpuntjes en dat is simpelweg te mager.
Bovendien is het tijd dat het aanstellingsbeleid van wedstrijden onder de loep wordt genomen want het is niet te verkopen dat een topwedstrijd bij de mannen wordt gefloten door twee onervaren krachten en op hetzelfde moment bij een dameswedstrijd die met 15 goals verschil eindigt twee internationals op de kant staan.
Concluderend stel ik vast dat we de ambitie hebben om in 2016 in Rio bij de dames een medaille te winnen en de Oranjemannen er weer bij willen zijn. Tegelijkertijd willen de clubs ook doorgroeien in niveau en proces. Wat daar dan o.a. voor nodig is:
- geld bij de bond en bij de clubs voor sporters die nog geen A status hebben
- betere accommodaties (30m veld) als je op het hoogste niveau wilt meedoen
- trainers/coaches die beter zijn opgeleid
- scheidsrechters die een hoger niveau met zich mee brengen
- een professionelere en sterkere competitie
- 5x 2 uur trainen bij de club in de avond
- 5x 2 uur trainen bij de bond in de ochtend
- een beter jeugdbeleid met een betere jeugdcompetitie
Op weg naar een betere professionele wereld. Het begint altijd bij jezelf.
RvG (24-03-12)
Terug





